AC 16/80 TOT AC 3000 ME


AC


AC 16/80

De latere versie van de AC 16/80, werd gebouwd met een grotere radiator en een ronde achterkant in plaats van de platte kant.
In 1938 werden negen 16/80’s gebouwd.
Dit is het laatste demonstratie model dat actief aan wedstrijden deelnam.
AC paste van 1922-1963 een en dezelfde 1991 cc 6-cilinder motor toe en hoewel de naoorlogse AC Ace meer roem verwierf dan enige sportauto van voor de oorlog, werden er ook in die tijd enkele fraaie modellen gebouwd, te beginnen in 1935 met een twee zit met verkort chassis, bekend als de 16/80, met een variant compressor die de 16/90 werd genoemd. Hiervan werden er slechts vier gebouwd, op een totaal van vieren veertig AC sportwagens.
De AC 16/90 verschilde nauwelijks van de 16/80, afgezien van de Arnott-compressor, die voor een topsnelheid van ruim 150 km/h zorgde.

AC-Ace en AC-Bristol

Productie jaren 1953-1962 en 1954-1963
Van de AC Bristol werden tussen 1956 en 1963 bijna vijfhonderd exemplaren verkocht.
De Bristol motor was een verbeterde uitvoering van de vooroorlogse BMW 328-zes cilinder.
De AC Ace ontstond naar een ontwerp van de bekende ontwerper John Tojeiro.
Aantallen 226 en 466
Bijzonderheden : de AC Ace en Bristol hadden dezelfde carrosserie.
Motoren : zes cilinders met respectievelijk 1991 en 2553 cc.
  
AC Ace

In 1953 kwam AC met een nieuw model uit.
Het was de AC Ace die door de beroemde designer John Tojeiro ontworpen was en die door een oude en vertrouwde, maar al voor de oorlog ontwikkelde, 2 liter zes cilinder OHC-kopklep motor aangedreven werd. In 1955 kreeg de wagen een nieuw chassis met rondom onafhankelijke vering. Vanaf 1956 was de Ace ook leverbaar met een Bristol-motor.
Aantal cilinders : 6
Cilinderinhoud in cm³ : 1991
Vermogen in pk bij toeren /minuut : 75/4500 tot 130/5750
Topsnelheid in km/h : 155-200
Carrosserie / chassis : aluminium/buizen chassis
Uitvoering : roadster
Productie jaren : 1953-1963
Productie aantallen : 226

Op de Londense auto show van 1953 debuteerde een Britse sportwagen met onafhankelijke wielophanging rondom – de AC Ace. Wat uiterlijk betreft, leek hij op de Ferarri Barchetta 166 van Touring, die in 1949 in Le Mans gewonnen had.
Het chassis was ontworpen door John Tojeiro, die in de vroege jaren ’50 wedstrijd sportwagens bouwde op bestelling. De Ace had een sterk ladder  frame van buizen met voor en achter dwars bladveren en draag armen, en zijn wegligging was voor die tijd uitzonderlijk goed. Oorspronkelijk werd de aluminium twee zit roadster aangedreven door een 1991 cc zes-in-lijn motor met bovenliggende nokkenas en drie SU-carburateurs. Hij was gebaseerd op een ontwerp (uit 1919) van de oprichter van het merk, John Weller, en leverde 86 pk.
Tussen 1954 en 1959 domineerde de Ace zowel in Engeland als in de VS zijn klasse in sportwagens. Vooral nadat de eigenaren van de fabriek, de gebroeders Hurlock, in 1956 besloten hadden om Bristol-motoren te gebruiken, al was de eigen zes cilinder nog als optie leverbaar.
De Bristol-motor, gebaseerd op de vooroorlogse BMW 328, was ook een 2-liter zes cilinder, maar hij had stoter stangen en leverde 122 pk.
In combinatie met de bak van de zelfde fabrikant (met synchromeshes op de bovenste drie versnellingen) was de Bristol de levendigste motor. Hij draaide in de hoogste versnelling probleemloos 30 km/h en accelereerde dan zonder aarzelen naar 6000 tpm.
Het echte vermogen kwam los bij 2500 tpm en boven de 4000 konden de bestuurder en zijn passagier elkaar bijna niet meer verstaan.
De 59-liter tank zorgde voor een actieradius van ongeveer 458 kilometer.
Op de grens gereden, neigde de wagen tot overstuur, maar dat kwam geleidelijk en je werd voldoende gewaarschuwd.
De besturing was direct en licht en de Ace kon nauwkeuriger een bocht ingestuurd worden.
Er waren geen deurkrukken aan de buitenkant, men moest via een flap in de losse zijruiten de hendels binnenin zien te bereiken.
De wagen bleef zonder ingrijpende veranderingen in productie tot 1962.
Vanaf 1956 was er een Laycock-de-Normanville overdrive leverbaar en in oktober 1957 waren tegen meerprijs schijfremmen voor  leverbaar – uiteindelijk werden ze standaard ingebouwd.
Er was steeds een keuze uit twee voorruiten, een dure gebogen en een goedkope rechte.
In rij testen uit die tijd stond de wagen hoog aangeschreven, het enige min puntje was dat de belangrijkste instrumenten te laag in het dashboard zaten en dus soms bedekt werden door de spaken van het stuurwiel.

AC Ace Bristol  

Motor :      Zes cilinders in lijn
Inhoud :    1.971 cc
Boring en slag :  66 x 96 mm
Compressie  :    8,5 :1
Carburator  :    3 Solex 32 PBI-valstroomcarburatoren
Vermogen :    122 pk
Topsnelheid :    186 km/h
Acceleratie 0-100 km/h :  9,1 sec
Kwart mijl met staande start : 16,5 sec
Gewicht :    815 kg (leeg)
Afmetingen :    3.780 x 1.510 x 1.240 mm

AC Aceca en Aceca Bristol

Een AC coupé. De wagen had een 2.0 liter motor met 91 pk
Productie jaren : 1953-1962 en 1955-1963
Aantallen : 150 en 1969
Bijzonderheden : dit waren de coupé-uitvoeringen van de AC.
De carrosserieën waren van aluminium, het chassis gedeeltelijk van hout

AC Aceca,1957

Als tegenhanger tot de open AC Ace kwam in 1957 de AC Aceca als coupé op de markt. Technisch waren de beide modellen identiek en ook in aanschafprijs waren ze vrijwel gelijk. Tegenwoordig niet meer, want de open uitvoering is veel meer gezocht dan de coupé, ondanks het feit dat de ‘derde deur’ voor zijn tijd erg modern was.
Originele exemplaren dienen van onderen goed geïnspecteerd te worden, aangezien in het chassis ook hout verwerkt is.

Aantal cilinders : 6
Cilinderinhoud in cm³ : 1991/1971
Vermogen in pk bij toeren/minuut : 75/4500 tot 130/5750
Topsnelheid in km/uur : 155 tot 200
Carrosserie/chassis : aluminium/buizen chassis
Uitvoering ; coupé
Productie jaren : 1955-1963
Productie - aantallen : 319
De achterruit van de hatchback-Aceca, de coupé versie van de Ace, was gelijk aan die van de Austin Martin DB2/4. -Zoals een model uit de jaren 1957.

Op de Earls Court - auto show van 1954 kreeg de Ace gezelschap van de Aceca, een comfortabele coupé die al snel de bijnaam ‘De sneltrein van de zakenman’ kreeg.
Zijn fastback - carrosserie, duidelijk geïnspireerd op de Aston Martins van die tijd, was getekend door een van de directeuren van AC : Alan Turner.
De technische specificaties van de Aceca waren nagenoeg gelijk aan die van de roadster, maar de uiterlijke gelijkenis was beperkt tot het typische AC-frontje.
Het was onvermijdelijk dat de zwaardere coupé niet zo snel accelereerde als de roadster, die de favoriet bleef van de sportieve rijders. Maar de aërodynamische coupé had wel een hogere topsnelheid : zo’n 200 km/h, tegen de 186 km/h van de Ace.
Tijdens zijn achtjarige productie werd de Aceca slechts licht gewijzigd.
Vanaf 1958 waren de onderste hoeken van de voorruit rond in plaats van hoekig en vanaf 1960 waren de regen goten onderdeel geworden van de carrosserie.
Het blad Autoparades prees de goede afwerking van de luxueus uitgeruste coupé tot in de details.
In - en uitstappen was bij deze lage wagen kennelijk alleen gemakkelijk voor slanke mensen. Anders zat het rechtopstaande stuur, dat in diepte verstelbaar was, in de weg.
De verstelbare kuip stoelen gaven ook in snelle bochten prima ondersteuning. Maar de zelfde rij test hekelde het koppige karakter van de Aceca. Met zijn gunstige verhouding tussen vermogen en gewicht was het echt een auto voor ervaren bestuurders.
In 1959 kwam Bristol financieel in de problemen en AC kreeg botweg te horen dat de levering van hun motoren gestaakt werd. Gelukkig bleek de 2,6-liter zes cilinder Ford, opgedreven door Ruddspeed, een bruikbaar alternatief.
Afhankelijk van zijn afstelling leverde hij 120 tot 170 pk.
Eind 1959 werd het programma uitgebreid met de Greyhound, een vier zit ter.
Op dit model werden de dwars bladveren vervangen door schroef veren. Voor zaten draag armen, achter zaten getrokken draag armen.
Financieel gezien was het tijdperk van de Ace geen succes : volgens Derek Hurlock, die Charles Hurlock opvolgde als directeur van het bedrijf, maakte men in die dagen geen winst op de auto’s. tussen 1953 en 1962 produceerde de kleine fabriek in Thames Ditton 732 Ace’s en 327 Aceca’s.

AC Aceca Bristol

Motor :      Zes cilinders in lijn
Inhoud :     1.971 cc
Boring en slag :    66 x 96 mm
Compressie  :     9 :1
Carburatoren :    3 Solex 32 PBI-valstroomcarburatoren
Vermogen :     128 pk
Topsnelheid :     204 km/h
Acceleratie 0-100 km/h :   9,4 sec
Kwart mijl met staande start :  16,6 sec
Gewicht :     965 kg (leeg)
Afmetingen :     4.060 x 1.550 x 1.320 mm


AC Bristol

In 1956 kon de AC Ace ook met een 2-liter Bristol een verbeterde versie van de oude BMW 328-motor geleverd worden. De wagen heette nu AC Bristol, was goed voor een topsnelheid van 200 km/uur en in staat om in 9 seconden van 0 naar 100 km/uur te accelereren. Dat de wagen goed aansloeg bij het publiek bewijst het voor AC hoge productie - aantal. Tegenwoordig is de Ace - serie bij liefhebbers van exclusieve sportwagens zeer gewild.

Aantal cilinders : 6
Cilinderinhoud in cm³ : 1971
Vermogen in pk bij toeren/minuut : 120/5750
Topsnelheid in km/uur : 200
Carrosserie/chassis : aluminium/buizen chassis
Uitvoering : roadster
Productie jaren 1956-1963
Productie - aantallen : 466


AC Greyhound

Productie jaren : 1959-1963
Aantal : 80
Bijzonderheden : de eerste naoorlogse AC sportwagen met ruimte voor vier volwassenen.
Motor : zes cilinders, 1971 cc en 126 pk/6000 tpm.

AC Greyhound

Van 1959 tot 1963 leverde AC een vier persoons auto, de Greyhound. Hij was bestemd voor de AC-liefhebber die nu een gezin had en minstens twee kinderen op de achterbank wilde meenemen. Of vader dat financieel aankon, is een andere zaak, want in Engeland kostte de Greyhound tussen de £2670 en £2910. Afhankelijk van de ingebouwde motor (Normaal Bristol, maar Ford 2,6 en AC - blok ook mogelijk.).
Ter vergelijking : een Jaguar E coupé kostte toen £2100.

Aantal cilinders : 6
Cilinderinhoud in cm³ : 1971
Vermogen in pk bij toeren/minuut : 126/6000
Topsnelheid in km/uur : 185
Carrosserie/chassis : aluminium/buizen chassis
Uitvoering : coupé
Productie jaren : 1959-1963
Productie - aantallen : 80

AC 2-LITRE-SALOON

Deze enigszins zware wagen van AC werd « Greyhound saloon » genoemd.
Hij had een 1991 cc motor van 78 pk, die gevoed werd met drie SU - carburateurs.
Dit model van AC had geheel hydraulische remmen, maar men hield koppig vast aan de ouderwetse bladveren aan de voorwielen.
In tegenstelling tot de sportwagen « AC » -een zeer lichte wagen met uitstekende weg eigenschappen – was de Greyhound niet de wagen die AC gemaakt zou moeten hebben als men de traditie van de fabriek in gedachten had gehouden.

AC Ace en Aceca 2.6

Productie jaren : 1961-1963
Aantal : 47
Bijzonderheden : niets anders dan een AC Ace en Aceca met een 2.6-liter Ford - motor en een iets gewijzigde neus.

AC 428

Productie jaren : 1966-1973
Aantal : 86
Bijzonderheden : de AC 428 had een stalen carrosserie, ontworpen door Frua in Italië.
Dit was duidelijk te zien, want de wagen leek als twee druppels water op de Maserati Mistral die ook van de tekentafel van Frua kwam.
Motor : V8 met 6997 cc, 350 pk/4600 tpm.
Door de wielbasis te verlengen van 229 tot 244 cm werd de AC groot genoeg voor vier personen.
Hij werd op de markt gebracht als AC 428.

AC ME 3000

AC ondernam een moedige poging een moderne sportwagen te bouwen ter vervanging van de grote AC’s met hun Ford V8-motoren, waarvan de verkoop na de oliecrisis drastisch was teruggelopen. De ME 3000 was gebaseerd op een onafhankelijk ontwerp van Peter Bohanna en Robin Stables, de Diablo. In de AC uitvoering had de wagen een 3-liter Ford V6-motor, dwars geplaatst in een stalen chassis met een fiberglas carrosserie. Het leek een veelbelovend ontwerp toen het in 1973 werd aangekondigd, maar de fabriek had grote moeite om goedkeuring voor het model te verkrijgen en pas in 1979 kwamen de wagens op de markt. Tegen die tijd was de prijs bijna verdrievoudigd en moest de ME 3000 opboksen tegen de concurrentie van de Lotus Esprit. Het rijgedrag viel tegen en het ontbrak AC aan voldoende middelen om het model verder te ontwikkelen. Er werden van de ME 3000 slechts 82 exemplaren door de oorspronkelijke fabriek gebouwd, en in 1984 nog eens 30 door een nieuwe organisatie in Schotland. Op het moment dat een nieuw sport model met een Alfa-Romeo motor in productie zou worden genomen, vroeg AC (Schotland) Ltd uitstel van betaling aan en het zag ernaar uit dat de naam AC zou verdwijnen, afgezien van de AC Mark II Cobra replica die is beschreven.


AC Cobra

De belangerijkste période uit de geschiedenis van AC begon eigenlijk in 1961, toen de Amerikaanse coureur Carroll Shelby,ongetwijfeld onder de indruk van de verichtingen van de Ace in de SSCA-wedstrijden, besloot dat de prestaties nog konden worden verbeterd door een Amerikaanse Ford V8-motor in te bouwen. Eerst werd een 4,2-litermotor gebruikt. Maar nadat er vijfenzeventig exemplaren waren afgeleverd, stapte men over op een 195 pk 4,7-litermotor. Volgens de Amerikaanse berekening had deze motor een inhoud van 289 kubieke inch. Vandaar de naam van dit type : Cobra 289.
In 1965 was ook een AC leverbaar met de grootste Ford motor, de 7-liter V8 van 427 kubieke inch.
De Cobra 427. Het vermogen bedroeg 400 pk, en in opgevoerde versie bijna 500 pk.
Het chassis werd versterkt en was iets zwaarder dan dat van de Ace, maar met zo’n vermogen waren de prestaties natuurlijk verbijsterend.
De 289 had een top van 222 km/h en een acceleratie van 0 tot 100 km/h in 5,6 seconden.
De 427 had een top van ruim 265 km/h en een acceleratie van 0 tot 100 km/h in 4,3 seconden.
Carroll Shelby liet Cobra-teams in 1964 en 1965 aan alle grote Europese wedstrijden deelnemen en hoewel ze vaak pech hadden, wonnen ze beide jaren het GT-kampioenschap.
De winnaar uit 1965 was de Daytona-coupé, die niet voor het publiek te koop was.
Van 1963-1969 domineerden Cobra’s ook de A-klasse van de Amerikaanse SSCA-races.
De productie werd gestaakt toen Carroll Shelby interesse kreeg voor de GT40 en men met de bouw van de Shelby-Mustang 350 begon.
Van de Cobra 289 werden er 560 gebouwd, van de Cobra 427 slechts 510.
De originele AC Cobra’s zijn inmiddels erg hoog geprijsde klassieke sportwagens.   
Sinds 1987 is het bedrijf in handen van Ford en daarom treffen we in de nieuwste AC Ace van ’93 en de Cobra MK III van ’90 dan ook een Ford-motor aan.
De peperdure sportwagens worden nog steeds met mondjesmaat verkocht.


AC Cobra 260/289 en Cobra 289 MK II

Productie jaren : 1962 en 1963-1965
Aantallen : 75 en 579
Bijzonderheden : met de Cobra werd AC eindelijk wereldberoemd. In principe was de Cobra identiek aan de AC Ace, alleen de motor verschilde.
De Amerikaan Carroll Shelby had de Ace voorzien van Ford V8- motoren met 4261 en 4727 cc (respectievelijk 264 pk/5800 tpm en 300 pk/5750 tpm).
In de AC Cobra 260 stond een Ford V8 met een inhoud van 260 ci ( 4261 cc) en     264 pk/5800 tpm.
De Cobra’s zijn nog regelmatig te bewonderen in de races voor historische auto’s.

AC Cobra 260/289

Op de New Yorkse tentoonstelling van 1962 presenteerde de ex-coureur en kippen fokker Carroll Shelby zijn AC Cobra. Het was een geheel nieuwe versie van de AC Ace die het origineel volkomen in de schaduw zette. Shelby’s recept was eenvoudig genoeg geweest : een Europese sportwagen met een Amerikaanse motor, in dit geval een Ford V8 met een inhoud van 4,2 en later 4,7 liter. De latere 7-liter Cobra is tegenwoordig zeker de helft duurder dan de hier behandelde, maar de oer - Cobra is evenmin voor iedereen weggelegd.

Aantal cilinders : V8
Cilinderinhoud in cm³ : 4260 en 4727
Vermogen in pk bij toeren/minuut : 264/5800 en 300/5750
Topsnelheid in km/uur : 230-250
Carrosserie/chassis : aluminium/buizen chassis
Uitvoering : roadster
Productie jaren : 1962-1963, 1963-1965
Productie - aantallen : 75 en 590


AC Cobra 289 MK II, 1964

Motor :     V8, Ford
Inhoud :     4.727 cc
Boring en slag :    101,6 x 72,9 mm
Compressie :     9,2 : 1
Carburator :    1 viervoudige Holley - valstroomcarburator
Vermogen :     275 pk
Topsnelheid :     219 km/h (eind vertraging 3,77 :1)
Acceleratie 0-100 km/h :   5,2 sec
Acceleratie 0-160 km/h :   13,0 sec
Gewicht :     920 kg (leeg)
Afmetingen :     3.850 x 1.550 x 1.240 mm

AC Cobra 289 en 427 MK III

Productie jaren : 1965-1968
Aantallen : 27 en 348
Bijzonderheden : deze wagens waren voorzien van een nieuw chassis en verbeterde wielophanging. Toch was het ontwerp nog duidelijk als AC herkenbaar.
Als motor gebruikte men een V8 met 4727 cc.  

AC Cobra 289 MK III, 1967

Snelle circuits zoals Spa lagen de Cobra niet beter dan langzame zoals de Targa Florio.
Zijn duidelijk on aërodynamische vorm werkte hem tegen bij echt hoge snelheden en hij had weinig grip bij het uitkomen van langzame bochten – vooral op een oneven wegdek, zoals het Madonie - circuit.
Maar de wagen was uiterst effectief op matig snelle circuits als Sebring.
Het typenummer ‘260’ sloeg op de cilinderinhoud in kubieke inches, wat gelijk is aan 4.260 cc.
In 1963, vanaf de 126e auto, gebruikte men de 289 ci motor (4.727 cc) en die leverde, afhankelijk van de tuning, 275 tot 360 pk.
De MK III was (vanaf 1965) leverbaar met deze motor of (tegen meerprijs) met een monster van 427 ci (6.998 cc) en tussen de 410 en 485 pk.
Zo’n vermogen zou veel te veel geweest zijn voor het oorspronkelijke Ace - chassis, dat ontworpen was voor minder pk’s.
Bovendien was de carrosserie oorspronkelijk ontworpen voor 5.50 x 16 banden, dus de machtige 8.15 x 15 wielen van de Cobra 427 maakten een forse  spatbord verbreding noodzakelijk.
Het Ace - buizen chassis bleef in principe behouden maar werd aanzienlijk versterkt.
Vanaf 1963 verving tand heugel besturing het worm-en-rol-stuur en in 1965 leidden Shelby’s connecties met Ford tot een volledige herziening van het onderstel.
De onafhankelijke voor - en achterwiel ophanging met onderste draag armen en dwars bladveren werd vervangen door driehoekige draag armen met schroef veren en telescoop dempers en het chassis werd nog eens aangepast aan het hogere vermogen.
Er werden in totaal 651 Cobra 260’s en 289’s gebouwd en 401 Cobra 427’s.
Daarnaast waren er zes Daytona coupés voor internationale GT - races, een Willment Cobra coupé, een AC Cobra coupé, een chassis voor een ontwerp studie bij Ford en nog enkele voor de film Monte Carlo Bust. Het was niet duidelijk hoe de auto nu eigenlijk heette : AC had het over de AC Cobra en de Shelby Organisatie gaf de voorkeur aan Shelby Cobra.
In de VS gebruikte men gewoon Ford Cobra (wat Ford prima vond zolang de wagen succes had) en hij was gehomologeerd als Shelby American Cobra.
Toen Ford met zijn eigen GT 40 ging racen, haalde men Shelby’s onderneming onderuit ; Ford nam zelfs de naam Cobra in beslag. Daarom werd het 7-liter model uitsluitend geracet door privé-teams, die onvermijdelijk gezien werden als ‘stoere jongens’.

AC Cobra 289 MK III, 1967

Motor :     V8, Ford
Inhoud :     4.727 cc
Boring en slag :    101,6 x 72,9 mm
Compressie :     11 :1
Carburator :    1 viervoudige Holley - valstroomcarburator
Vermogen :     300 pk
Topsnelheid :     250 km/h (eind vertraging 2,89 :1)
Acceleratie 0-100 km/h :   4,5 sec
Acceleratie 0-160 km/h :   10,0 sec
Acceleratie 0-200 km/h :   15,0 sec
Gewicht :     1.050 kg (met een halve tank)
Afmetingen :     4.250 x 1.820 x 1.150 mm

AC 289 Sports

De laatste exemplaren van de originele Cobra, we hanteren de aanduiding ‘origineel’ vanwege de vele replica’s onder AC - vlag en de Cobra die nog nieuw te koop is dragen die naam niet meer.
Ze zijn onder de naam AC 289 Sports bij Ace zelf gebouwd, zonder Shelby.
Het is een auto met de carrosserie van de befaamde Cobra 427 van ‘65-’68, waarin de in vergelijking met het 7-liter-blok ‘tamme’ 4,7 liter uit de 289 is gemonteerd.
Het geringe productie cijfer en het uiterlijk van de ‘vette’ Cobra maken deze typen duurder dan de eerste Cobra’s

Aantal cilinders : V8
Cilinderinhoud in cm³ : 4727
Vermogen in pk bij toeren/minuut : 300/5750
Topsnelheid in km/uur : 250
Carrosserie/chassis : aluminium/buizen chassis
Uitvoering : roadster
Productie jaren : 1969
Productie - aantallen : 27
    
AC Cobra 427 MK III, 1966

Er waren talloze Cobra - legenden : de passagier van een 427 mocht een $ 10-biljet dat op het dashboard geplakt was, houden - mits hij het kon pakken als de wagen weg spoot.
Het Amerikaanse blad Automobile Quarterly hield een vergelijkende test tussen een Cobra 427 en een Jaguar XK 120. Men ontdekte dat de Anglo-Amerikaanse halfbloed van 0 tot 160 km/h kon optrekken, naar 0 kon afremmen en weer tot 160 km/h kon optrekken in de tijd dat de elegante Brit voor het eerst die snelheid bereikte. Er was geen twijfel mogelijk : de Cobra sprak vooral aan door zijn pure power. De schrijver zei verder dat de 427 geen auto was voor een beginneling. Als je te veel gas gaf, slingerde de Cobra van links naar rechts en je handen vol om te voorkomen dat het slip pende, donderend beest iets zou raken. Regen kwam overal binnen en de cockpit was zo krap dat er alleen plaats was voor de bestuurder, zijn vriendin en een bundeltje $ 5-biljetten – dat snel verdween bij het tankstation.
De wagen zorgde voor angst en genot.
Het artikel eindigde met vier adviezen : wees voorzichtig met het gas (je zit zo bij je buurman in de bloemen) ; wees voorzichtig met de koppeling (één keer plotseling schakelen en je hebt twee weken een stijve nek) ; wees voorzichtig met de remmen (anders rijdt de man achter je, je mooie aluminium staart in puin) en vooral : wees voorzichtig met het stuur (of je zit weer tussen de bloemen…)
Nauwelijks minder dramatisch is Marc Madows verhaal over zijn belevenissen met een 7-liter Cobra in “auto motor und sport (1972)”, getiteld ‘Slangen bezweren’.
Als je het sleuteltje omdraaide, zo schreef hij, voelde je meteen de enorme motor door je hele lichaam. Dan was het tijd om de eerste versnelling in te schakelen, en op weg te gaan naar de Californische woestijn. Na slechts 3,2 seconden stond de snelheids meternaald te trillen op 100 km/h, waarbij de V8  6.500 tpm draaide.
Bij ongeveer 112 km/h schakelde je naar zijn tweede, die tot 145 km/h ging. Zorgvuldig spiedden naar een politie radar schakelde je naar zijn derde, goed voor 201 km/h, terwijl de acceleratie nog indrukwekkend was. De vierde versnelling, zo ging hij verder, was Amerika nogal overbodig, maar als je de huilende, geselen de wind negeerde, kon je 265 km/h halen.
Voormalig Grand Prix - coureur Innes Ireland bewaart geen tedere herinneringen aan de Cobra 289 : « een echt beest . In de Spa 500 van 1964 reed ik alle Ferrari GTO’s zoek op het aflopende stuk na de start, voor Eau Rouge. Maar op het rechte stuk van Masta kwam ik niet boven de 233 uit en de wagen zwabberde constant van links naar rechts en terug. Op ongelijke stukken als Burnenville leek het soms wel alsof er een paard tegen mijn achterste schopte ».
Niets dan gelukwensen dus voor het Settember/Freutel - team, dat met een Cobra 427 meedeed aan de Targa Florio van 1966. Nadat ze de eerste ronde van het Siciliaanse avontuur overleefd hadden, vielen ze uit in de tweede !

AC Cobra 427 MK III, 1966

Motor :     V8, Ford
Inhoud :     6.998 cc
Boring en slag :    107,7 x 96,215 mm
Compressie :     10,4 : 1
Carburatoren :    2 viervoudige Holley - valstroomcarburatoren
Vermogen :     485 pk
Topsnelheid :     265 km/h (eind vertraging 3,54 :1)
Acceleratie 0-100 km/h :   4,3 sec
Acceleratie 0-160 km/h :   8,8 sec
Kwart mijl met staande start :  12,2 sec
Gewicht :     1.030 kg (leeg)
Afmetingen :     3.960 x 1.730 x 1.240 mm

Weinig modellen straalden zoveel kracht en snelheid uit als de Cobra. De enorme achterbanden waren noodzakelijk om de 500 pk op het wegdek te brengen.


wp0c7f5646_0f.jpg