ONTSTAAN


Ontstaan van het merk   AC

John Portwine had in 1900 genoeg geld verdiend als slager in het zuiden van Londen om zich nu 100% bezig te houden met zijn hobby, auto’s, door dat hij meer geld had dan technische kennis besloot hij al vlug in zee te gaan met de jonge ingenieur John Weller, een zeer goede ingenieur en mechanieker van moto cyclettes. Hij kon zich geen betere partner voorstellen.
Weller stelde voor om een wagen te bouwen met brandstof motor, en Portwine financierde het project. De burelen en werkplaats bevonden zich te Norwood op de Norwood Road.
Op de Crystal Palace autoshow te Londen in 1903 stelden ze hun eerste wagen ten toon.
Het was een personen wagen met vier plaatsen, open, en zonder vensters, er was veel gelijkenis met de Panhard van die tijd, maar met andere wagens vergeleken, was de carrosserie hoog op de wielen geplaatst. John Weller had het idee om de motor, versnellingsbak, de radiator, en de uitlaat zo laag mogelijk te monteren met afzonderlijke rubbers, deze rubbers waren bevestigd op het chassis, en dit om de vibraties te verminderen.
De motor had vier cilinders en bracht 20 pk op, en was afgeleid van de Daimler, de motor was voorzien van een waterpomp, dat was zeer uitzonderlijk voor die tijd. De pers sprak met veel lof over deze wagen, die het zeer goed deed en niet chauffeerde, toch minder of andere wagens. De wagen was ook goed aangeschreven voor zijn baanvastheid en de juiste stuur vastheid. Men noemde de wagen de “Weller”. Maar deze viel te duur uit om te kunnen verkopen, en men zag af van verdere productie. De Weller bleef bij een enkel uniek exemplaar.
Maar Portwine had andere plannen, en gaf Weller de opdracht om een kleine en goedkopere wagen te bouwen, een driewieler, om vlug klein materiaal te leveren. Hij kreeg de naam  “autocarrier “ letterlijk de “automobiel bezorger” met zich mee.
Ondertussen had men een naam gevonden voor hun bedrijf, Auto & Accessories Ltd.
Men begon dan maar een bakfiets te bouwen, met een een cilinder lucht gekoelde motor van 6 pk onder de bestuurders stoel, iets voor het achter aandrijfwiel. De overbrenging geschiedde door een ketting. De stuurstang overbrenging was voorzien van een lange hefboom, men noemde dit een varkensstaart.
Dit transportmiddel zou een groot succes worden, en een van hun grootste klanten waren  de Engelse spoorwegen.
In 1907 werd een chassis omgebouwd voor het vervoer van personen, de Sociable, daardoor veranderde men de naam in Autocarriers Ltd. Vandaar de afkorting AC. De Sociable zijn motor bevond zich nog steeds onder de bestuurder plaats zodat de passagiers voor de bestuurder zaten. De productie duurde tot 1915.
Sinds 1908 bouwt AC al wagens in het Engelse district Surrey.
In 1910 bestelde het Engelse leger een groot aantal driewielers om het 25ste wielrijders regiment te motoriseren. Sommige driewielers werden gebruikt voor munitie en geweren te vervoeren, door zijn betrouwbaarheid.
In 1911 verhuisde Autocarriers naar Thames Ditton te Surrey waar men meer plaats had om de productie bij te houden.
Voor de tweede maal werd in 1912 begonnen met de bouw van een personen wagen, met een Franse Fivet viercilinder motor van 1096cc vooraan, waarvan de versnellingsbak en het differentieel uit een gegoten aluminium behuizing voorzien was, deze constructie bleef tot 1931 stand houden bij AC.
Dit is een van de eerste wagens die gemaakt is geweest met een enkele droge plaat koppeling.
Tijdens de wereldoorlog van 1914-18, werden juist granaten en ontstekingen gemaakt in de fabriek, maar na de oorlog in 1919 werden er terug personenwagens gemaakt.
Het model had veel weg van de vooroorlogse wagen, juist de motor werd vervangen door een viercilinder Anzani omdat tijdens de oorlog de fabriek van Fivet totaal verwoest was.
In 1920 kocht AC voldoende aandelen van Anzani op, om in de directie te zetelen en op deze manier er zeker van te zijn een vlotte levering te hebben van de motoren, men bestelde er maar liefst 2000 stuks van.
In 1919 bouwde Weller een zescilinder motor van 1991cc, een 11,9 PK, met een enkele bovenliggende nokkenas, de motorblok was van aluminium, en voorzien van een stalen kop. Op deze manier ging een droom van Weller in vervulling.
Weller zal wel niet gedacht hebben, dat deze motor de geschiedenis in zou gaan als de motor die het langst in vrijwel onveranderde constructie gebouwd zou worden tot 1963.
Onnodig te zeggen, dat het vermogen over de jaren aanmerkelijk opgevoerd werd.
Selwyn Francis Edge, een veteraan in de automobielindustrie en bekend autopiloot, komt samen met zijn vriend Thomas Gillett in de directie van AC terecht, nog geen jaar nadien in 1921, nemen ze de firma over, en werken Portwine en Weller uit de zaak.
In 1921 haalde Thomas Gillett, een record op Montlhéry, door 24 uur lang, alleen met een hand aan het stuur een gemiddelde snelheid te halen van 132 km per uur, de motor was een AC zescilinder in lijn van (1991cc) 2-liter.
In de ogen van S.F. Edge was dit de beste reclame, deelnemen aan wedstrijden zoals races, maar vooral records.
In 1925 nam AC voor het eerst als Engels merk deel aan de Rally van Monte Carlo, pas het jaar daarop won AC deze race.
Al deze wedstrijden konden helaas niet helpen, de firma AC kwam steeds dieper in financiële moeilijkheden. De snelle 2 liter met een gepolijste aluminium carrosserie, de Montlhéry 16/40, en de 1,5 liter die in 1927 gelanceerd werd, konden de verkoop niet meer stimuleren, de firma ging failliet na het lanceren van de AC Magna.
De gebroeders Charles en Derek Hurlock kochten de AC Ltd. fabriek op in 1930, om er leger dump goederen te stockeren, ze besloten terug te produceren omdat er nog veel onderdelen in de magazijnen lagen opgeslagen. De veel verhuisde transaxle werd door een conventionele constructie vervangen en de Magna ging weer in productie.
Vanaf 1933 nam men terug deel aan wedstrijden omdat de verkoop terug goed draaide, en op deze manier zag het er weer goed uit voor AC Ltd.
De nieuwe AC Ace kwam in productie en was te verkrijgen in alle mogelijke carrosserie vormen, een tweepersoons sportwagen, en een vijf persoons limousine, een paar van deze limousines beter bekend als ‘March Special’ werden ontworpen door Earl of March, later de Duke of Richmond and Gordon, genoemd.
De Greyhound kwam uit in 1934, maar op verzoek werden een paar versies gemaakt met preselector versnellingsbak, en drie carburatoren, daardoor trok de Greyhound van 0 tot 90km per uur op in 20 seconden, en haalde een topsnelheid van bijna 130 km per uur.
De AC Ace tweepersoons sport uitvoering was zeer mooi voor zijn tijd, hij had een grote benzinetank achteraan, waar twee reserve spaakwielen aan bevestigd waren. Hij kon ook in in drie verschillende tunings, verkregen worden of met een Arnott compressor, mits meerprijs natuurlijk.     
Na de oorlog kwam AC met een nieuw model uit. En er werd ook een prototype ontworpen van een cabriolet, deze kwam pas rijklaar in 1946.
De eerste naoorlogse AC’s konden pas in oktober van 1947 aangekocht worden.
De luxe wagen was voorzien van de oude zescilinder 2-liter motor die 80 pk leverde, ook hydraulische remmen voor, en mechanische op de achterwielen werden standaard.
In 1950 kon men niet spreken van een grote productie want men maakte slechts vijf wagens per week.
In 1953 bleven de limousines conservatief, maar de nieuwe AC Ace sportwagen was een zeer sportieve topper.
John Tojeiro ontwikkelde een nieuw stalen tweeling-buizen chassis, voor deze AC Ace sportwagen, met  onafhankelijke achterwiel ophanging, maar de motor bleef de oude 2-liter zescilinder, van 85 pk. Deze werd aan het publiek voorgesteld op de Court motor show te Londen.
Het deerde niemand, dat de carrosserie duidelijk veel weg had van de Ferrari Barchetta 166 MM.
In 1954 kon men mits meerprijs de door AC Bristol geperfectioneerde oude BMW 328 motor, zes cilinder bestellen, deze 1971 cc motor leverde 120 pk. Een van de eerste Ace’s reed mee in de Tulpen Rally en won zijn klasse.
In de VS was de AC Bristol zeer geliefd, en in zijn 2-liter klasse won er geen enkele wagen zoveel races als deze. De coupé kwam in het zelfde jaar uit, de Aceca, hij was sneller dan de spider door zijn aerodynamica, ook deze wagen won veel races.
AC kon meer verdienen met zijn sportwagens, en in 1957 werd de laatste 2-liter limousine gebouwd.
In het zelfde jaar werd voor het eerst na de oorlog mee gedaan aan de 24 uurs race van Le Mans, en behaalde de AC-Bristol in zijn klasse de tweede plaats achter een 2-liter Ferrari.
In 1958 waren er twee wagens aangemeld voor de zelfde race, een prototype met een nieuw chassis van Tojeiro, die zijn klasse won en achtste in de totaal stand werd, en een normale AC-Bristol die negende werd.
Op de Londense motor show van 1959 verscheen de Greyhound weer ten tonele, ditmaal als vier personen coupé op een buizen chassis en met de Bristol-motor.
De wagen was goed voor 185 km per uur. Grote schrik bij AC toen Bristol in de herfst van 1961 de productie stopte van de 2 liter motoren.
Een oplossing werd door Ken Rudd gevonden, die een Ford Zephyr 2,6 liter motor opvoerde en er 170 pk uithaalde. De AC 2,6 zoals de wagen nu zou heten, had een topsnelheid van
220 km per uur. De coupé verdween dat jaar nog uit het programma.

In oktober 1961 kwam de Amerikaanse auto piloot Carroll Shelby naar AC met het voorstel een Ford V-8 motor in de Ace te bouwen.
November 1961
Eerste lichtgewicht Ford V8 motor word geleverd aan AC via Shelby.
Winter 1961-62
AC en Shelby werken aan het eerste Cobra prototype te Thames Ditton.
Januari 1962
Het Cobra prototype, rijd voor de eerste maal op het circuit van Silverstone, met een V8, 221cu motor.
In februari 1962 was zo’n wagen klaar. De achteras was versterkt om de krachten van de 339pk motor te kunnen verwerken en de wagen ging naar Amerika voor zijn eerste race.
Als nummerbord kreeg hij CSX-0001 = Carroll Shelby Experimental Nr.1.
Februari 1962
De motor van het eerste prototype chassis n° CSX 2000, word verwijderd en verscheept naar Riverside en daar voorzien van een V8 260cu.
April 1962
De Cobra werd voor het eerst getoond aan het publiek te New York op de motor show.
Mei 1962
Verschillende tijdschriften testen het Cobra prototype.
Ford Dearborn interesseerde zich voor het project en gaf Shelby opdracht honderd wagens te bouwen en aldus ontstond de AC Cobra. Nog voor de eerste honderd wagens door AC gebouwd waren kregen ze al een opdracht voor een tweede serie van honderd, daar de AC Cobra een reuze succes was in Amerika.
Juli 1962
De eerste drie productie Cobra’s worden voltooid en verscheept naar de USA om daar te worden voorzien van de V8 260 cu motor.
Oktober 1962
Billy Krause reed voor het eerst een wedstrijd met een Cobra te Riverside, maar trok zich terug tijdens de wedstrijd, door breuk aan de achter ophanging.
Januari 1963
De eerste Cobra met een 289 motor chassis nummer CSX 2075 word compleet geleverd
Januari 1963
Cobra wint zijn eerste wedstrijd op het circuit van Riverside.
Ford had een nieuwe motor klaar die met 6997cc, 485pk leverde.
Vanzelfsprekend, dat Shelby ze in de Cobra inbouwde, die hiermee een top haalde van 280km per uur.
Maart 1963
Eerste productie van de rack and pinion Cobra is compleet met chassis nummer CSX 2127
Juni 1963
Twee Cobra’s doen mee aan de 24h van Le Mans, een trekt zich terug uit de wedstrijd en de andere Cobra,  word zevende.
Eind 1963
AC Ace stopt de productie
Oktober 1963
Eerste prototype met 427 motor word gebouwd.
November 1963
Eerste rechts gestuurde Cobra word geleverd in de UK.
November 1963
Start van een nieuw race project, de fameuze Daytona Coupe.
In januari 1964 waren er meer dan vierhonderd Cobra’s door AC afgeleverd en de productie was vier tot vijf stuks per dag. Dat zelfde jaar ontwierp Klaus Arning van Ford een nieuw chassis dat door AC in Engeland gebouwd werd. Hierna werden in Engeland alleen nog ‘kleine’ Ford motoren van 289 cub.inch ingebouwd, waarna de wagen AC 289 heette, in tegenstelling tot de Amerikaanse versie met 427 inch motor die nu ‘Shelby American Cobra’ gedoopt werd.
Alle Cobra’s waren tot nu toe voor de export naar Amerika verscheept, maar de AC 289 bleef in Europa.
Februari 1964
Eerste Daytona Coupe, gebaseerd op het chassis nummer CSX 2257, word getest op het circuit te Riverside.
Deze wagen wint drie GT klassen en word vierde algemeen te Le Mans.
Maart 1964
Ken Miles met het prototype 427 en chassis nummer CSX 2166 reed de wagen in de prak te Sebring tijdens een race
April 1964
AC test hun eigen coupe 259 te Le Mans, met chassis nummer A95
November 1964
De chassis productie  voor export word gestopt.
December 1964
Het tweede 427 prototype met chassis nummer CSX 2196 debuteerde met Ken Miles te Nassau Speed weekend, en word voorzien van een ‘flip-top’
Januari 1965
De productie van de 427 werd aangekondigd en dit met een nieuwe en aangepaste carrosserie, en voorzien van het chassis nummer CSX 3001
Maart 1965
De chassis productie word gestopt na de bouw van 655 wagens.
Begin 1965
Handwerk aan de 427 ‘super coup’ in de USA en de UK worden gestopt, maar het project met chassis nummer CSX 3054 word beëindigd door een privaat eigenaar in 1980.
1965
Daytona coupe won uiteindelijk de fabrieks kampioenschap voor GT wagens, door zes maal deze GT klasse te winnen.
Oktober 1965
AC stelde de Frua AC 428 wagen voor op de UK  Earls Court.
Een tweepersoons sportwagen met een carrosserie van Frua en de grote Ford V-8 motor.
De wagen was niet voor races bedacht en de top was ‘slechts’ 230 km per uur.
Mei 1966
AC start de productie met een 289 motor versie voor de Europese markt.
In november 1968 verliet de laatste AC 289 de fabriek.
In Genève 1967 kwam een door Frua gebouwde coupé als aanvulling van de inmiddels van AC 427 tot AC 428 om gedoopte cabriolet. Deze wagens werden als chassis naar Italië gestuurd om met een carrosserie naar Engeland terug te komen.
Deze twee modellen waren de enige die AC in 1969 kon aanbieden en hun productie liep tot en met 1973.
Februari 1968
Vijf speciale lang-wiel basis chassis worden gebouwd voor Paramont films.
Februari 1969
Na de bouw van 348 wagens stopte men met deze Europese serie.
1969
Acht 427 van het type coil spring, die gebouwd werden bij AC, voor een elektrisch wagen project in de USA met chassis nummer EFX 501-505, werden later omgebouwd tot replica’s.
Oktober 1973 dan werd de AC 3000 ME voorgesteld, men probeerde de markt te veroveren met een coupé met midden motor de AC 3000 ME, maar het duurde tot 1979 voordat de wagen eigenlijk productie rijp was.
Het was een geheel nieuw ontwerp, voorzien van een Ford V6 van 3liter.
Zie verder op deze site voor meer informatie over de AC 3000 ME.
1980
Autokraft introduceerde de MK 4 gebaseerd op een originele Cobra chassis.
Februari 1982
Autokraft verkreeg het recht om het logo MK 4 te gebruiken, en kort daarna kocht Brian Angliss de rechten van AC Cars Ltd op.
Oktober 1987
Ford kocht de AC rechten van Brian Angliss.
Midden 1990
Ford kondigt de sluiting van AC Cars Ltd aan, maar Brian Angliss vecht dit besluit aan en produceerde de MK 4 verder.



wp694e69cb_0f.jpg