WEDSTRIJD TEKSTEN


Voor de 24-Uurs races van Le Mans in juni 1964 ging Ford in zee met een aantal zeer gerenommeerde coureurs voor de GT 40 . Er werden drie teams ingeschreven : Phil Hill/Bruce McLaren ; Dickie Atwood/Jo Schlesser en Ritchie Ginter/Masten Gregory.
Al snel namen de drie Fords de leiding, maar toen het zondagochtend was waren ze allemaal uitgevallen. Twee door problemen met de transaxle en één door een brand.
De GT 40 die het minste succes had in 1964 was deze van Attwood/Schlesser die tijdens de race van Le Mans volledig uitbrandde nadat een benzine leiding was gebroken.
In juli op Reims bewezen de GT 40’s weer over veel snelheid te beschikken. Een van de wagens was voorzien van een gietijzeren 4,7-liter 289 V8 Wet-Sump-motor die goed was voor 380pk. Eenzelfde motor werd ook gebruikt in de Ford Mustang en de AC Cobra. Het extra gewicht van de motor werd ruimschoots goed gemaakt door het extra vermogen, maar de Colotti versnellingsbak kon dit niet aan.
 
Voor de 24-Uur's van Le Mans in 1965 werden er vier MK I’s privé ingeschreven en twee MK II’s door Ford. De GT 40’s vielen opnieuw uit nadat ze op kop hadden gelegen maar voor het seizoen van 1966 begon alles op zijn plaats te vallen. Bij de 24-Uur's race van Daytona in februari werden de eerste drie plaatsen door een GT 40 bezet en in maart gingen de eerste en tweede plaats naar een GT 40 bij de 12-Uur's van Sebring.
En toen kwam Le Mans. Maar liefst 8 MK II GT 40’s werden ingezet, waarvan er vijf uitvielen. Maar de drie ‘overlevenden’ deden het zo goed dat ze niet alleen het lang verwachte ‘Sarthe-succes’ behaalden maar de concurrenten nog eens extra met hun neus op de feiten duwden door met zijn drieën bijna tegelijk de finish lijn te passeren. Zoals wel vaker gebeurde, verpeste de Franse organisatoren het feestje een beetje door de winnende auto van Ken Milles/Dennis Hulme terug te verwijzen naar de 2e plaats. Deze auto werd iets afgeremd om de auto van Chris Amon/Bruce McLaren de kans te geven dichterbij te komen. Als dubieuze reden voor de terug verwijzing gaf men op dat de laatstgenoemde auto verder naar achteren stond op het start veld dan de wagen van Ken Miles/Dennis Hulme en daarom in totaal een grotere afstand had afgelegd ! De derde plaats ging naar de GT 40 van Ronnie Bucknam/Dick Hutcherson.
Voor 1967 had Ford de GT 40 klaargestoomd in MK IV-vorm,compleet met een aluminium, honingraat monocoque. Dit was in feite een MK II met een vernieuwde iets lagere neus, een achterkant in CanAm-stijl met raam en verbeterde warmte-afvoer, en een kruiselings lopend uitlaat systeem.
De motor was nu goed voor maar liefst 530 pk, genoeg voor een topsnelheid van 346 km/h, de 7,0 liter motor was ook voorzien van twee Holley-carburatoren.  Er werden twee auto’s ingeschreven voor Sebring waar ze vrij gemakkelijk de eerste en de tweede plaats pakten, het geen veel goeds voorspelde voor Le Mans in juni. Alles ging goed, op zondag ochtend lagen er drie MK IV’s ruim op kop, tot dat Mario Andretti crashte en alleen door twee MK II’s werd geraakt. Gelukkig voor Ford won de MK IV van Dan Gurney/AJ. Foyt en eindigde een andere MK IV op de vierde plaats.
In 1968 werd besloten de wagens met een capaciteit van meer dan 5,0 liter uit te sluiten en daarop trok Ford Amerika zich terug uit de autosport. Hierdoor kwam de toekomst van de GT 40 in privé handen. John Wyer was op dat gebied een topper. Hij had FAV in 1967 verlaten en was gaan samenwerken met John Willment. Zij richten JW Automotive (JWA) Engineering op. Gulf Oil trad op als sponsor. Len Bailey verbeterde de GT 40’s door de achterkant van de carrosserie breder te maken en bredere wielen te gebruiken. In de cockpit werd minder glas gebruikt en de achterkant werd iets ronder. Als krachtbron werd de 5,0-liter V8 met stoter stang bediening  gebruikt. JWA gaf de drie aldus gemodificeerde GT 40’s een nieuwe naam, Mirage. Hun opmerkelijkste succes in 1967 (beide Mirages vielen op Le Mans uit) werd behaald door Ickx/Thompson die de overwinning op Spa behaalden, gevolgd door nog vier overwinningen. Nieuwe regels voor 1968 bepaalden de grens voor prototypes op een inhoud van 3,0-liter en daardoor vielen de Mirages buiten de boot. JWA bouwden ze om tot licht gewicht GT 40’s met een versterkt front en achter panelen uit koolstofvezels.
Ze zagen er werkelijk schitterend uit in hun blauwe en oranje Gulf kleuren. De nieuwe GT 40’s maakten hun debuut op Daytona, maar beide auto’s vielen uit nadat ze bij de start op de voorste start rij stonden. Ook op Sebring haalden ze de finish niet maar op Brands Hatch behaalden Ickx/Brian Redman een comfortabele overwinning, net als Hawkins/David Hobbs twee weken later op Monza. Op de Nurbürgring eindigden Ickx/Hawkins op de derde plaats en behaalde daarmee de hoogste klassering bij de 1000 km race. De wagen won weer ruim op Watkins Glen. De V8 was nu uitgerust met Gurney-Weslake cilinder koppen, en werden er drie JWA-wagens ingeschreven voor Le Mans.
Zo zijn we weer terug bij het begin van het verhaal, waar de JWA/Gulf-wagens de derde GT 40 overwinning in de wacht sleepten (Pedro Rodrigues/Lucien Bianchi) en het kampioenschap voor Ford. En de Le Mans overwinning van 1969, die de prestaties van de GT 40 nog eens extra glans gaf. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de GT 40, een auto die schoonheid met daden combineerde, wordt gezien als een van de allerbeste uit de geschiedenis.

In 1965 won de GT 40 MK I in Daytona.
In het jaar 1966 won de Ford GT 40 de 24-uur's race van Le Mans, met achter het stuur de ervaren rijders Bruce McLaren/Chris Amon.
De winnaar van Le Mans in 1966 met n° 3, was gespoten in goudkleur, en bestuurd door Bucknum/Hutcherson.
In 1966 nam ook de Gulf-blauwe GT 40 deel aan de wedstrijd met als rijders Ken Miles/Dennis Hulme met het n° 2 op de wagen, toen de befaamde MK II.
In 1967 veranderde de GT 40 Le Mans in MK IV.
In het jaar 1969 won de Ford GT 40 de 24-uur's race van Le Mans, met achter het stuur Ickx/Oliver in de gulf kleuren.
De mooiste overwinning ooit met een GT 40 was wel deze in 1969, de GT 40 was wel al verouderd en moest het opnemen tegen de snellere Porsche en Matra’s.
Verscheidene auto’s die in de kopgroep zaten waren al uitgevallen, waaronder de Porsches 917. Met nog een uur te gaan lag de zelfde auto die een jaar daarvoor had gewonnen slechts een auto lengte achter op de Porsche 908. De volgende ronde had de Ford, met Jacky Ickx achter het stuur, de leiding overgenomen en het leek erop dat hij zelfs iets begon uit te lopen.
Weer een ronde verder had de 908, met veteraan Hans Hermann, Ickx weer ingehaald en zo ging het maar door. Het publiek ging compleet uit zijn dak. De twee wagens gaven elkaar geen duimbreed toe en zo ging het door tot het bittere eind. Met nog tien minuten voor de boeg pakte de GT 40 voor de laatste keer de leiding en liet die niet meer los. Uiteindelijk was de voorsprong slechts zeven seconden, en dat na een gruwelijke race van 24 uur.
Het was een geweldige overwinning voor het JWA Gulf team en Ford.
De enige verandering die men had aangebracht aan deze winnende auto, in vergelijking met die van 1968, was een verbreding van de achterwielen met slechts 21/2 cm. Dit maakte de overwinning des te opmerkelijk.
Autocar schreef in zijn verslag van toen : "Iedereen die op zaterdagmiddag 2 uur had gezegd dat de JWA  Ford GT 40 een kans zou hebben de verzamelde krachten van Porsche en Matra en de ervaring van Ferarri te verslaan, zou voor gek verklaard zijn."


TERUG NAAR HOOFDPAGINA.
TERUG NAAR GT 40.